China,  19e Eeuw,  UK

De Opiumoorlogen: hoe Groot-Brittannië China op de knieën dwong

In de 19e eeuw botsen twee werelden op brute wijze. Aan de ene kant staat het oude, zelfverzekerde Chinese keizerrijk, overtuigd van zijn superioriteit en vrijwel afgesloten van buitenlandse invloeden. Aan de andere kant staat het industriële, expansiedrangige Groot-Brittannië, vastbesloten zijn macht en handel te vergroten. Het strijdtoneel? Een dodelijk verslavend product: opium.

Je leeft in het China van de Qing-dynastie. Het rijk is immens, cultureel verfijnd en economisch zelfvoorzienend. De Chinese keizers hebben weinig belangstelling voor handel met het Westen; ze zien Europese goederen als inferieur. Buitenlanders mogen alleen via de havenstad Guangzhou (Kanton) beperkte handel drijven, en dan nog onder strenge voorwaarden.

Het Westen hunkert echter naar Chinese thee, zijde en porselein. Vooral thee is in Groot-Brittannië razend populair. Er is alleen één probleem: China wil betaald worden in zilver, en dat put de Britse reserves uit.

Het opiumplan van de Britten

Om het handelstekort om te keren, bedenken de Britten een oplossing die zowel cynisch als lucratief is: opium. In hun kolonie India produceren ze grote hoeveelheden van dit verdovende middel en smokkelen het naar China. Daar groeit de verslaving razendsnel. Tegen het einde van de 18e eeuw is een groot deel van de bevolking, van boeren tot ambtenaren, afhankelijk van de drug.

Voor Groot-Brittannië stroomt het zilver nu wél binnen. Voor China is het een ramp: de economie lijdt, productiviteit daalt en corruptie groeit. De Qing-regering ziet de verslaving als een sociale en morele crisis en wil ingrijpen.

Lin Zexu en het ultimatum

In 1839 stuurt de keizer commissaris Lin Zexu naar Guangzhou om de opiumhandel uit te roeien. Lin is vastberaden en schrijft zelfs een beroemde brief aan koningin Victoria waarin hij haar oproept om de handel te stoppen. Hij krijgt geen antwoord.

Daarop grijpt hij hard in: hij laat Britse opiumvoorraden, zo’n 20.000 kisten, in beslag nemen en in zee vernietigen. Voor de Britten is dit onacceptabel. In hun ogen is dit niet alleen een economische aanval, maar ook een belediging van hun prestige.

De Eerste Opiumoorlog (1839–1842)

Groot-Brittannië stuurt oorlogsschepen en soldaten naar China. De Chinezen, met verouderde wapens en zwakke schepen, zijn geen partij voor de Britse marinesuperioriteit. In gevecht na gevecht worden de Qing-troepen verslagen.

Het vernietigen van de Chinese oorlogsschepen

De oorlog eindigt met het Verdrag van Nanking. China moet grote sommen zilver betalen, vijf havens openstellen voor buitenlandse handel, en Hongkong afstaan aan Groot-Brittannië. Er is geen woord in het verdrag dat opiumhandel verbiedt.

De Tweede Opiumoorlog (1856–1860)

De vernedering van de Eerste Opiumoorlog had de Chinezen bitter gemaakt, maar ze waren nog steeds te zwak om weerstand te bieden. In 1856 grijpen de Britten een klein incident, het aanhouden van een schip onder Britse vlag, aan als excuus voor een nieuwe oorlog. Dit keer vecht Frankrijk mee aan Britse zijde.

Opnieuw lijden de Chinezen zware nederlagen. Britse en Franse troepen trekken zelfs Peking binnen en plunderen het Oude Zomerpaleis, een van de grootste culturele schatten van China.

Het resultaat is opnieuw desastreus voor China: nog meer havens moeten open, opiumhandel wordt gelegaliseerd en buitenlandse mogendheden krijgen extraterritoriale rechten, ze staan dus niet onder Chinese wet.

Gevolgen voor China

De Opiumoorlogen markeren het begin van wat de Chinezen later “de Eeuw van Vernedering” noemen. Buitenlandse machten krijgen enorme invloed, en de keizerlijke macht brokkelt af. De sociale en economische schade van massale opiumverslaving houdt nog decennia aan.

De lange nasleep van de opiumverslaving

De nederlaag in de oorlogen betekende dat China niet alleen opiumhandel moest tolereren, maar zelfs legaliseren. Het gevolg: in de tweede helft van de 19e eeuw schiet het gebruik omhoog. Rond 1900 is naar schatting 10 tot 15 procent van de volwassen mannen in China verslaafd. In sommige regio’s ligt dat percentage nog hoger. Opium is overal: in theehuisjes, op markten, in huizen van boeren, maar ook in paleizen en kantoren van ambtenaren.

De Qing-regering probeert pas laat in te grijpen. In 1906 lanceren ze een anti-opiumcampagne: opiumvelden worden vernietigd, handelaren vervolgd en gebruikers verplicht tot afkicken. In sommige provincies heeft dit effect, maar de val van de Qing in 1911 maakt de aanpak instabiel.

Onder de Republiek China (1912–1949) blijft opium wijdverspreid. Krijgsheren gebruiken opiumhandel zelfs als inkomstenbron. Corrupte lokale bestuurders knijpen een oogje dicht of handelen zelf mee. Internationale verdragen tegen opiumhandel worden slechts halfhartig nageleefd.

Pas met de komst van de Communistische Partij in 1949 komt er een harde breuk. De nieuwe regering van Mao Zedong voert een meedogenloze campagne:

  • Handelaren worden gearresteerd of geëxecuteerd.
  • Boeren moeten overstappen op voedselgewassen.
  • Verslaafden worden verplicht in afkickprogramma’s, vaak onder dwang.

Binnen enkele jaren is de opiumproductie en -consumptie in China vrijwel verdwenen. Rond het midden van de jaren vijftig is een verslaving die het land meer dan een eeuw had geteisterd, met harde hand uitgeroeid.

Reacties uitgeschakeld voor De Opiumoorlogen: hoe Groot-Brittannië China op de knieën dwong