De coalitie tegen Dong Zhuo: China’s eerste burgeroorlog
Een meedogenloze tiran, een jonge keizer als marionet en een bonte verzameling krijgsheren die tijdelijk hun rivaliteit vergeten – het jaar 190 wordt het toneel van de eerste grote burgeroorlog in het tijdperk van de Drie Koninkrijken.
Het rijk in handen van een tiran
Na de dood van keizer Ling in 189 grijpt generaal Dong Zhuo de macht in de hoofdstad Luoyang. Hij maakt handig gebruik van het machtsvacuüm dat is ontstaan na de moord op generaal He Jin. In plaats van de opvolging soepel te laten verlopen, zet hij Liu Xie op de troon als keizer Xian, pas negen jaar oud. Officieel is Dong Zhuo regent, maar in werkelijkheid regeert hij met ijzeren vuist.
Zijn optreden is bruut. Aan het hof voert hij zuiveringen door. Tegenstanders verdwijnen, paleiswachten worden vervangen door zijn eigen soldaten, en zijn protegé Lü Bu wordt zijn persoonlijke lijfwacht. De angst groeit, zowel in Luoyang als daarbuiten.
Yuan Shao organiseert het verzet
In het voorjaar van 190 besluit Yuan Shao, een vooraanstaande aristocraat, dat het genoeg is geweest. Vanuit zijn machtsbasis in het noorden roept hij andere krijgsheren op om samen op te treden tegen Dong Zhuo. Hij wordt gekozen tot leider van een nieuw opgerichte coalitie van noordelijke en zuidelijke krijgsheren.

China 190
Onder zijn bondgenoten bevinden zich bekende namen zoals Cao Cao, Yuan Shu, Zhang Miao en Sun Jian. Hoewel ze onderling weinig vertrouwen hebben, zijn ze het erover eens dat Dong Zhuo’s tirannie een bedreiging vormt voor het rijk.
De coalitie spreekt af dat elk van hen optrekt vanuit hun eigen regio en dat ze elkaar zullen coördineren via het hoofdkwartier van Yuan Shao in Henei.
Cao Cao’s mislukte aanval
Cao Cao is vanaf het begin ongeduldig. In de zomer van 190 besluit hij niet te wachten op de anderen. Met een bescheiden leger trekt hij richting Luoyang. Zijn bedoeling is om Dong Zhuo snel te verrassen, voordat de hoofdstad volledig is versterkt.
Maar zijn aanval loopt uit op een ramp. Bij Xingyang wordt hij onderschept door Dong Zhuo’s troepen. Zijn leger raakt omsingeld, en hij moet zich noodgedwongen terugtrekken. Het is een pijnlijke nederlaag die hem veel manschappen kost en zijn reputatie tijdelijk schaadt.
Deze mislukking onderstreept hoe zwak de onderlinge coördinatie binnen de coalitie is. Yuan Shao blijft passief en aarzelt. Cao Cao beseft dat zonder gezamenlijke actie de campagne geen kans van slagen heeft.
Sun Jian herovert Luoyang
In de herfst van 190 weet een andere krijgsheer wél militaire successen te boeken. Sun Jian, opererend vanuit het zuiden, boekt een reeks overwinningen op de troepen van Dong Zhuo bij Luoyang. Zijn leger is goed getraind, zijn discipline streng, en zijn motivatie groot.
Dong Zhuo begrijpt dat hij Luoyang niet kan houden. Begin 191 besluit hij de hoofdstad te evacueren en te verplaatsen naar Chang’an, ver ten westen van zijn tegenstanders. Voordat hij vertrekt, laat hij Luoyang platbranden. De stad brandt dagenlang, terwijl zijn troepen de overgebleven gebouwen plunderen.
Als Sun Jian Luoyang bereikt, vindt hij enkel nog ruïnes. Maar tussen de puinhopen stuit hij op een belangrijk object: het keizerlijke zegel. In plaats van het terug te brengen naar Yuan Shao, houdt hij het geheim. Dit zegel zal in latere jaren een grote rol spelen in het gevecht om legitimiteit.

Sun Jian vindt het Keizerlijk Zegel
De coalitie brokkelt af
In de loop van 191 beginnen de scheuren in de coalitie zichtbaar te worden. De krijgsheren, aanvankelijk verbonden door hun gezamenlijke haat tegen Dong Zhuo, keren zich nu steeds meer naar hun eigen belangen.
Yuan Shu, de broer van Yuan Shao, opent de aanval op zijn rivalen en probeert invloed uit te breiden in het zuiden. Yuan Shao weigert opnieuw om een duidelijke strategie te formuleren. Cao Cao probeert vergeefs een gecoördineerde aanval te organiseren, maar de krijgsheren luisteren nauwelijks nog.
Sun Jian keert terug naar het zuiden om zijn veroveringen veilig te stellen, maar sterft onverwacht in de winter van 191 tijdens een veldslag tegen Liu Biao. Zijn zoon Sun Ce zal later zijn erfenis voortzetten.
De moord op Dong Zhuo
In mei 192 lijkt het plotseling alsof de missie van de coalitie alsnog slaagt. Dong Zhuo wordt vermoord in Chang’an. Zijn eigen lijfwacht, Lü Bu, keert zich tegen hem in samenwerking met minister Wang Yun. De moord is het gevolg van interne spanningen, maar wordt door buitenstaanders als een morele overwinning gezien.
Toch is de situatie er niet beter op geworden. Lü Bu is onvoorspelbaar, en zijn loyaliteit is dubieus. Wang Yun heeft geen militaire macht, en binnen enkele maanden nemen de volgelingen van Dong Zhuo wraak. Chang’an verandert in een strijdtoneel.
Keizer Xian is intussen niet meer dan een speelbal in handen van wie hem op dat moment onder controle heeft. De droom van een hersteld rijk onder keizerlijk gezag is verder weg dan ooit.


