
Waarom sloot Japan zich af van de wereld tijdens de Edo-periode?
De Edo-periode, die duurde van 1603 tot 1868, wordt vaak gezien als een tijd van isolement voor Japan. Onder het beleid van sakoku – wat letterlijk “gesloten land” betekent – beperkte het land streng zijn contacten met de buitenwereld. Maar waarom koos Japan voor deze radicale afsluiting? Wat dreef het land ertoe om handel, religie en buitenlandse invloed vrijwel volledig buiten de deur te houden?
De opkomst van de Tokugawa-shogunaten
Aan het begin van de 17e eeuw had Japan net een periode van bijna anderhalve eeuw vol burgeroorlogen achter de rug. Verschillende krijgsheren, de daimyo, vochten om macht en invloed. In 1603 wist Tokugawa Ieyasu, een van de machtigste krijgsheren, de strijd te beslechten en vestigde hij het Tokugawa-shogunaat. Om de macht te consolideren, stelde de nieuwe regering strikte regels in om de stabiliteit van het land te bewaren.
Een van de grootste bedreigingen die de shoguns zagen, was buitenlandse invloed. De komst van Europese handelaren en missionarissen bracht niet alleen exotische goederen, maar ook het christendom. De Tokugawa-leiders waren bang dat deze buitenlandse ideeën hun grip op de macht zouden ondermijnen.
De rol van christelijke missionarissen
Portugese en Spaanse missionarissen arriveerden in de 16e eeuw in Japan en begonnen al snel met het bekeren van de lokale bevolking. Aanvankelijk stonden de Japanse heersers hier tolerant tegenover, maar toen het christendom steeds meer volgers kreeg, begonnen de Tokugawa-shoguns dit te zien als een bedreiging.
Het christendom predikte loyaliteit aan God boven alle andere autoriteiten, iets wat rechtstreeks in strijd was met de absolute macht van de shogun. Dit leidde tot een reeks harde maatregelen, waaronder de vervolging van christenen. Het hoogtepunt hiervan was de Shimabara-opstand (1637-1638), een grote rebellie van arme boeren en christelijke volgelingen. Hoewel de opstand uiteindelijk werd neergeslagen, versterkte het de overtuiging van de shoguns dat buitenlandse religieuze invloeden gevaarlijk waren.
Sakoku: het beleid van gesloten grenzen
In 1639 voerde de Tokugawa-regering het sakoku-beleid in. Buitenlandse handel werd beperkt tot enkele streng gecontroleerde punten, zoals het kunstmatige eiland Dejima in Nagasaki. Hier mochten alleen de Nederlanders en Chinezen beperkt handel drijven, omdat zij geen religieuze missie hadden zoals de Spanjaarden en Portugezen.

Een model van de Nederlandse handelspost op het eiland Dejima
Het beleid ging verder dan handel alleen. Japanners mochten het land niet verlaten, en degenen die al in het buitenland waren, mochten niet terugkeren. Dit isolement moest voorkomen dat buitenlandse ideeën of technologieën de traditionele Japanse samenleving zouden verstoren.
Economische en culturele zelfvoorziening
Een belangrijk onderdeel van het isolement was de focus op zelfvoorziening. Japan had genoeg natuurlijke hulpbronnen om in de meeste behoeften van de bevolking te voorzien. De economie bloeide op binnen de grenzen van het land, en er ontstond een unieke, verfijnde cultuur. Kunstvormen zoals kabuki-theater, ukiyo-e (houtsnedeprenten) en haiku-poëzie bereikten hun hoogtepunt tijdens deze periode.
Hoewel Japan zich had afgesloten van de wereld, stond de binnenlandse ontwikkeling niet stil. De stabiliteit van de Edo-periode gaf ruimte voor economische groei en sociale orde, wat deels te danken was aan het strenge beleid van de Tokugawa-shoguns.
Buitenlandse druk en het einde van het isolement

Commodore Perry’s vloot, tijdens zijn tweede bezoek aan Japan in 1854
Hoewel het isolement decennialang effectief was, begon het in de 19e eeuw te wankelen door de groeiende invloed van westerse machten. De komst van Amerikaanse oorlogsschepen onder leiding van Commodore Perry in 1853 dwong Japan uiteindelijk om zijn grenzen weer te openen. Maar de bijna tweeënhalve eeuw van afgeslotenheid heeft een blijvende invloed gehad op de Japanse geschiedenis en cultuur.

