
Hoe de Sovjet-Unie met gestolen kennis een atoombom bouwde
De ontwikkeling van de atoombom door de Sovjet-Unie wordt vaak gezien als een mix van eigen wetenschappelijk werk en spionage. Maar hoe groot was de rol van gestolen informatie van de Verenigde Staten, en hoeveel sneller kon de Sovjet-Unie hierdoor hun eerste atoombom ontwikkelen?
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkten de Verenigde Staten samen met Groot-Brittannië en Canada aan het Manhattanproject, een geheim project om de eerste atoombom te ontwikkelen. Onder leiding van wetenschappers zoals J. Robert Oppenheimer slaagden de VS erin om in 1945 twee atoombommen te produceren en in te zetten tegen Japan. Dit succes markeerde een enorme technologische doorbraak en veranderde het geopolitieke landschap.
De Sovjet-Unie, een bondgenoot in de oorlog maar een ideologische rivaal, kon deze voorsprong niet negeren. De Amerikanen wilden hun kennis geheim houden, maar het Manhattanproject zat vol Sovjetspionnen die cruciale informatie doorspeelden naar Moskou.
Hoe spionage de Sovjet-Unie hielp
Tijdens het Manhattanproject waren er meerdere Sovjetagenten actief binnen de VS. Namen zoals Klaus Fuchs, Theodore Hall en David Greenglass spelen een centrale rol in dit verhaal. Zij leverden plannen, technische details en zelfs directe ontwerpen van de bom aan de Sovjets.
Klaus Fuchs, een Britse natuurkundige die in Los Alamos werkte, was waarschijnlijk de belangrijkste spion. Hij gaf gedetailleerde informatie door over de plutoniumbom, inclusief de mechanismen achter de implosie die nodig was om de kernreactie te starten. Theodore Hall, de jongste wetenschapper in Los Alamos, deelde eveneens cruciale gegevens, waaronder details over de initiator die de kernreactie begon.

Klaus Fuchs
Hoeveel tijd werd gewonnen?
Zonder deze gestolen informatie hadden de Sovjets waarschijnlijk veel langer nodig gehad om hun eigen atoombom te ontwikkelen. Voor de oorlog hadden ze al enkele theoretische stappen gezet, maar hun technologie stond ver achter op die van het Westen. De eerste succesvolle test van een Sovjet-atoombom, genaamd RDS-1 of Joe-1, vond plaats in 1949. Dit was slechts vier jaar na de Amerikaanse bommen op Hiroshima en Nagasaki.
Historici schatten dat de Sovjet-Unie dankzij spionage haar ontwikkeling met minimaal twee tot vier jaar heeft versneld. Dit betekende dat ze al in 1949 een nucleaire macht werden, terwijl ze zonder deze informatie mogelijk pas begin jaren 50 zover waren geweest. In een tijdperk van groeiende spanningen tussen de VS en de Sovjet-Unie was dit een cruciale strategische winst.
De interne Sovjetinspanningen
Hoewel spionage een doorslaggevende rol speelde, mag je de bijdrage van Sovjetwetenschappers niet onderschatten. Igor Koertsjatov, de leider van het Sovjet-atoombomprogramma, gebruikte de gestolen informatie als een springplank, maar hij moest deze aanpassen aan de technische mogelijkheden van de Sovjetindustrie. Het ontwikkelen van nucleaire infrastructuur en het raffineren van uranium waren enorme uitdagingen.

