Middeleeuwen

Het Dagboek van een Middeleeuwse Boer: Zwoegen, Eten en Geloof

5 april 1347

Vandaag begon zoals elke andere dag. De zon was nog niet op, maar ik moest al naar de velden. De ochtendnevel hing zwaar over het land, en het was koud. Ik vraag me soms af of ik ooit een dag zal hebben waarop ik niet zo vroeg op hoef te staan. Het antwoord ken ik eigenlijk wel: nee. Dat is het lot van een boer. Het land wacht nooit.

Mijn werk is simpel, maar zwaar. Het zaaien, ploegen, oogsten – het gaat jaar in jaar uit door. Dit voorjaar ben ik begonnen met het planten van gerst en haver, zoals elk jaar. Tarwe zouden we wel willen planten, maar dat is voorbehouden aan de landheer, die het beste land heeft. Wij boeren, of horigen zoals ze ons noemen, hebben minder vruchtbare grond. Maar zolang de oogst goed is, kunnen we ermee overleven.

De akker ploegen we met een houten ploeg die door ossen wordt getrokken. Het is zwaar werk, en de kleigrond werkt niet mee. Soms breekt de ploeg, en dan moeten we wachten tot de smid tijd heeft om het te repareren, wat weken kan duren. Mijn vrouw, Ingrid, helpt me in de velden als ze niet bezig is met het huishouden of de moestuin. Onze kinderen, oud genoeg om te lopen, helpen al een handje mee. Het leven leert je hier vroeg volwassen te worden.

7 april 1347

Vandaag was het vastendag, dus we aten geen vlees. Op veel dagen hebben we toch geen vlees, maar op vastendagen is dat extra streng. We leven van simpele dingen: brood van haver en rogge, groenten uit onze tuin zoals kool en rapen, en soms vis als we die kunnen vangen in de beek. Op feestdagen, als het jaar goed is geweest, slachten we misschien een kip of een varken, maar dat is zeldzaam. Melk en kaas van onze koe zijn een zegen, maar we moeten ook genoeg overhouden voor de winter.

Elke dag eten we pap – dat is het hoofdgerecht. Gemaakt van gerst of haver, meestal. Het vult je maag, maar echt smakelijk is het niet. Soms, als we geluk hebben, maken we een stoofpot met wat kruiden of wilde groenten die we vinden in het bos. En natuurlijk brood – zonder brood kunnen we niet overleven. Het brood is grof en vaak zuur, maar het is het beste wat we hebben.

12 april 1347

Vandaag was een zware dag. De landheer stuurde een bode om ons te herinneren aan de plichten die we aan hem verschuldigd zijn. Als horige heb ik geen eigen land. In ruil voor het stuk grond dat we bewerken, moet ik een deel van mijn oogst aan de landheer afstaan en hem helpen met zijn eigen akkers wanneer hij daarom vraagt. Soms wil hij ook arbeidsdiensten – dat betekent dat ik zonder loon moet werken op zijn land. En niet alleen ik, Ingrid moet ook meehelpen op zijn hof. Dit jaar eist hij extra, omdat zijn vee ziek is geworden. Het is niet eerlijk, maar ik heb geen keus.

De kerk zegt dat dit Gods wil is. De priester vertelde ons dat iedereen zijn plaats heeft in de wereld, en dat we moeten werken voor onze ziel en gehoorzamen aan onze heer en aan God. Elke zondag gaan we naar de mis, en de priester herinnert ons eraan dat het leven op aarde slechts een voorproefje is van het eeuwige leven in de hemel. Dat geeft me soms troost, vooral op dagen als vandaag, als het werk te zwaar is en de toekomst onzeker. Ik bid elke avond dat de oogst goed mag zijn en dat we de winter weer doorkomen.

20 mei 1347

Vandaag was er een feestdag – een heilige dag in de kerk. Dit betekent dat we niet mogen werken. Dat is een zeldzaamheid, en ik ben er dankbaar voor. We gingen naar de mis, en daarna verzamelde de hele gemeenschap zich op het plein. We vierden met zang en dans, en er werd wat wijn rondgedeeld. Voor even kon ik vergeten dat morgen het werk weer begint. Ingrid en ik spraken over onze toekomst, over de kinderen. Ik wil niet dat ze hun hele leven als horige doorbrengen, maar hoe kunnen ze ooit ontsnappen aan dit leven? Misschien, als ze het goed doen in de kerk, kunnen ze monnik of non worden. Dat zou een betere toekomst zijn.

25 mei 1347

De kerk is ons leven, het middelpunt van ons bestaan. Zonder geloof zouden we niets zijn. We vertrouwen op God voor alles, van de regen tot de oogst en de gezondheid van onze dieren. Elke zondag bidden we dat de pest ons niet zal treffen – ik hoorde verhalen over dorpen verderop waar hele families zijn gestorven aan een mysterieuze ziekte. We geloven dat het een straf van God is voor onze zonden, en dat we extra trouw moeten zijn in ons geloof om beschermd te blijven. Onze priester is een goed man, maar hij benadrukt vaak hoe klein en zondig we zijn. We moeten ons lot accepteren, zegt hij.

30 juli 1347

De zomer is het drukst. Het land schreeuwt om aandacht. De oogsttijd nadert, en het hele dorp bereidt zich voor op het binnenhalen van wat we hebben gezaaid. Er zijn lange dagen van werken in de velden, vaak van zonsopgang tot zonsondergang. Het is zwaar, maar iedereen helpt. Het is ons bestaan. Ingrid maakt nu meer brood dan ooit, zodat we straks genoeg hebben voor de lange wintermaanden.

Het leven van een boer is simpel, maar het vraagt alles van je. Ik werk voor mijn gezin, voor mijn heer, en voor mijn ziel. Het leven is zwaar, maar het is het enige dat ik ken.

By Simon BeningcwEQT2I5tUKZHA at Google Cultural Institute maximum zoom level, Public Domain, Link